zondag 30 maart 2025
Het huwelijk
Toen hij bespeurde hoe de nevel van de tijd
in d' ogen van zijn vrouw de vonken uit kwam doven,
haar wangen had verweerd, haar voorhoofd had doorkloven,
toen wendde hij zich af en vrat zich op van spijt.
Hij vloekte en ging te keer en trok zich bij de baard
en mat haar met de blik, maar kon niet meer begeren,
hij zag de grootse zonde in duivelsplicht verkeren
en hoe zij tot hem opkeek als een stervend paard.
Maar sterven deed zij niet, al zoog zijn helse mond
het merg uit haar gebeente, dat haar toch bleef dragen.
Zij dorst niet spreken meer, niet vragen of niet klagen
en rilde waar zij stond, maar leefde en bleef gezond.
Hij dacht: ik sla haar dood en steek het huis in brand.
Ik moet de schimmel van mjn stramme voeten wassen
en rennen door het vuur en door het water plassen
tot bij een ander lief in enig ander land.
Maar doodslaan deed hij niet, want tussen droom en daad
staan wetten in de weg en praktische bezwaren
en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren
en die des avonds komt, wanneer men slapen gaat.
Zo gingen jaren heen. De kind'ren werden groot
en zagen dat de man die zij hun vader heetten,
bewegingloos en zwijgend bij het vuur gezeten,
een godvergeten en vervaarlijke aanblik bood.
1910
Op deze site – maar die informatie is hier na ‘de grote schoonmaak’ niet meer terug te lezen – heb ik veelvuldig kritiek geleverd op de in 2016 verschenen poëziebloemlezing De Nederlandse poëzie van de twintigste en de eenentwintigste eeuw in 1000 en enige gedichten, samengesteld door Ilja Leonard Pfeijffer. De keuze van dichters en de selectie uit hun werk is voor elke bloemlezer een kwestie van smaak en literaire vrijheid, maar Pfeijffers uitgave mist, ten faveure van mindere titels en namen, zoveel klassiekers dat er alleen maar sprake kan zijn van kwade opzet. Want hoe kun je Judith Herzberg nou ‘vergeten’? Of Willem Elsschot? Zijn zij te onbelangrijk? Is dat echt uit te leggen na bijvoorbeeld het lezen van bovenstaand vermaard gedicht?

In 2000 mochten de lezers van NRC-Handelsblad hun mooiste gedicht kiezen. In de uitgave daarvan, getiteld Het mooiste gedicht, staan de honderd vaakst gekozen verzen afgedrukt op volgorde van de meeste stemmen. Judith Herzberg is maar liefst drie keer vertegenwoordigd. Daaraan heeft Pfeijffer geen boodschap. De top tien van dichters en gedichten heeft hij wél in zijn bundel opgenomen, zoals De Dapperstraat van Bloem en de nummer een: Herinnering aan Holland van Hendrik Marsman. Alleen nummer vijf ontbreekt. Dat is Het huwelijk van Willem Elsschot (1882-1960). Het is nota bene een van de vroegste twintigste-eeuwse gedichten waarvoor Pfeijffer had kunnen kiezen; het stamt al uit 1910.

Op de ronduit rancuneuze samenstelling van De Nederlandse poëzie van de twintigste en de eenentwintigste eeuw in 1000 en enige gedichten door bloemlezer Pfeijffer kom ik nog wel een keer terug. Vandaag gaat het over Het huwelijk.
Over de inhoud is het eenvoudig uit te wijden, want de betekenis is glashelder. Dit huwelijk stelt niks meer voor, want er hebben teveel wolken boven hun relatie gehangen. Die nevel van de tijd heeft de vonken in haar ogen gedoofd. Daarna wendde hij zich af, zij het dat hij zich opvrat van spijt. Hij probeert nog wel met haar te vrijen maar ervaart deze grootse zonde (let op: niet de grootste, maar de grootse) zelf als een duivelsplicht, terwijl zij, zelfs letterlijk, naar hem opkeek als was hij niet een minnaar maar een slachter en zij het stervend paard.
Omdat hij haar haat en zelfs dood wenst, wordt de situatie ondraaglijk, waarbij zijn helse mond het merg uit haar gebeente zuigt, waardoor zij niet eens meer dorst te spreken. Maar zij is vitaal en haar gebeente blijft haar dragen. Kortom: ze leefde en bleef gezond.
Hij fantaseert haar te laten verdwijnen – ik sla haar dood en steek het huis in brand – zodat hij kan vluchten tot bij een ander lief in enig ander land. Maar ja, bij zulke misdaden staan er wetten in de weg en praktische bezwaren. Maar ook weemoedigheid die niemand kan verklaren en die hem overvalt wanneer men slapen gaat.
Dan is er de wending. In een sonnet gebeurt dat meestal tussen de twee kwartrijnen en terzinen. Hier pas bij aanvang van de laatste strofe. Alsof het een moraal is. Je leest dan niet meer vanuit zijn perspectief, maar vanuit dat van zijn kinderen. De man die zij hun vader heetten – ze weten dat hij het is, maar daarmee is dan ook alles gezegd – is bij het vuur gezeten. En hoe zit hij daar: met een godvergeten en vervaarlijke aanblik. Oftewel: nog steeds lijdend aan vergooide jaren en niet gemaakte keuzes van moord en brand. Maar het is nog erger, want hij is godvergeten. De man wiens gedachten wij vijf strofen hebben mogen volgen, is in de zesde strofe volkomen geïsoleerd geraakt van alles en iedereen. Niet alleen meer ongelukkig in de liefde, maar hij heeft het inmiddels ook verloren van het leven.

De eerste gebundelde gedichten van Willem Elsschot. Uit 1934.
Tien gedichten, waaronder Het huwelijk, al gepubliceerd in 1910.
Tenslotte over de techniek. Het huwelijk is ijzersterk van vorm door zijn strakke metrum (een zesvoetige jambe en dus een alexandrijn), strak eindrijm (omarmend) en met verbluffend veel assonanties (ogen | doven | voorhoofd | doorkloven...) en alliteraties (vrouw | vonken | voorhoofd | vrat…) Ook daardoor heeft die beroemde zin zijn weg zo gemakkelijk kunnen vinden: Want tussen droom en daad staan wetten in de weg. Vaak gebezigd en niet alleen in de literatuur. Dus terug naar het begin: wat zou er in de weg hebben gestaan tussen de bloemlezer zijn dromen en daden?