maandag 03 januari 2022
Ik zou haar willen kennen,
deurtje in haar hoofd en zo
naar binnen. Omzichtig door
de doolhof die zij is.
Daar is een kamer vol met
alles wat zij mist. Feiten,
dagen, mensen door elkaar.
Het heeft gewaaid in haar.
Een man is hier die dood is.
Een kind dat niet bestaat.
Ik snuffel in een leven, kan
met alles niets beginnen.
Het is goed dat het vergaat.
1995
Als dichter kwam Bernard Dewulf (Brussel, 1960) niet eerder in deze rubriek aan het woord, maar ik raadpleegde hem vaak als essayist. Hij schreef prachtige beschouwingen over beeldende kunst (zoals in Bijlichtingen, 2001 en Naderingen, 2007) over breder kijken en zien (in Verstrooiingen, 2011) en over zijn gezin (in de novelle Kleine dagen, 2009, waarvoor hij de Libris Literatuurprijs ontving). Ook schreef en bewerkte hij (met name voor NTGent) veel toneelteksten.
Op de eerste dag van het nieuwe jaar dan toch eindelijk twee van zijn gedichten. Het bovenstaande uit zijn debuut Waar de egel gaat (1995) en het onderstaande uit Naar het gras (2018), de laatste bundel die bij leven verscheen.
Bernard Dewulf overleed 23 december onverwachts in zijn woonplaats Antwerpen; hij was pas 61 jaar.
De doden
Men zegt: de doden zijn hier niet.
Het is niet waar. Nu ik ze nader
raken wij elkaar al aan. Nog even
en wij overleven samen in de albums,
wonen door elkaar in de kamers,
kijken uit de nieuwe kinderen,
waken over de slapenden en staan
in spiegels en geklede lichamen op
waarin wij elkaar terugvinden.